|
De wanden en hoekpijlers van het Bock- of Backxkoor zijn in 1896 van pleister en kleur ontdaan, op een fragment van een figurale schildering na. Toch werden in 1977 nog enkele sporen ontdekt van witkalk op de steen, daarop kalk met gele oker, op de profielen van de zuidoostelijke hoekpijler lichtrood naast blauwgroen op de witkalk, op de zuidwestelijke hoekpijler op de witkalk een zandsteenkleur (kalk, zwart en oker) en daaroverheen kalk met gele oker. Op de oostelijke wandarcatuur sporen van witkalk, lichtrood, rood op de hoekkolonetten en blauwgroen op de stijlen boven de kraagstenen, tenslotte over alles heen kalk en gele oker die de toon van de kapel tot 1896 bepaald hebben.120 Op de gewelfribben daarentegen waren talrijkere sporen van de oorspronkelijke witkalklaag op de steen, Engels rood daarop, dan een stuclaag en kalk met gele oker aanwezig. Het rood begint bij de geboorte der gewelven en op grond van deze gegevens is hier een ‘zwevend’ ribbennet in rood gereconstrueerd, zoals het ook oorspronkelijk behoord heeft bij de ranken, bladeren en bloemen die vrijwel gaaf op de gewelfvelden bewaard gebleven zijn en die al in 1896 blootgelegd zijn. Op 17 november van dat jaar wordt door de Rijksadviseurs voor de Monumenten aan de Minister van Binnenlandse Zaken bericht, dat de Sint Antoniuskapel gerestaureerd wordt. ‘... tevens zijn de oude kalklagen dier kapel verwijderd; de gevonden zéér fraaie gewelfschilderingen weder in den oorspronkelijke toestand gebracht, op de paramenten der muren de oude wijdingskruizen die ontdekt werden, hersteld en eene hoogst belangrijke muurschildering van 1444 aan de buitenzijde dezer kapel is tegelijkertijd gerestaureerd met hare bijwerken en grafschrift’.121 Hier ziet men het argeloze conserveren en vernielen tegelijkertijd aan het werk: opgaand muurwerk wordt kaalgekapt, de beschildering van een gewelf echter ontzien. Met geen woord - uit verlegenheid? - wordt gerept over de merkwaardige flard figurale beschildering bovenaan rechts naast het oostelijk venster, onder de gewelf- en schildboog-aanzet, van de St. Antoniuskapel, een gestalte rond wiens buitencontouren alle verfsporen verwijderd zijn, zodat zij als een uitgeknipt silhouet verschijnt. Het is een man met witte baard, lang groen kleed, rode mantel daaroverheen en een wit schoudermanteltje,
| 313 |
|
op het hoofd een rode puntmuts uitkomende uit een tulband die uit een blauwe en een gele gelubde krans bestaat. In de rechterhand houdt hij een spreuklint dat als een gordel over zijn gewaad slingert en als tekst in gotisch schrift draagt: Sic enim Deus dilexit mundum ut Filium suum unigenitum daret Deze tekst is genomen uit Joh. 3: 16, ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven’. Wij moeten dus in de figuur geen profeet zien, noch de evangelist, maar hoogstwaarschijnlijk de persoon tot wie Jezus de geciteerde woorden sprak: Nicodemus, overste der Joden of lid van het Sanhedrin, vereenzelvigd met de Nicodemus die deelnam aan de Graflegging. Deze en andere Joden worden in de middeleeuwse iconografie bij voorkeur met zulke exotische hoofddeksels uitgedost. Naar de oorspronkelijke samenhang waarin deze gestalte in de St. Antoniuskapel gefigureerd heeft, kan men slechts gissen. De kapel was aan de Salvator gewijd, hetgeen niet tot een verklaring bijdraagt. Tot heden heeft geen enkele auteur aandacht aan de voorstelling gewijd. Over de ouderdom valt al evenmin veel te zeggen, maar de hele behandeling en compositie maken het tot een zeer dubieus, zo niet voor goed bedorven product. Overigens waren de bloemen en ranken bij de restauratie van 1896 blijkbaar overgeschilderd en dit nieuwe werk was, vooral in de oostelijke gewelfcompartimenten, door lekkages gaan bladderen en donker geworden. Deze laag is vastgezet, een gedeelte van de oorspronkelijke beschildering is in de noordwesthoek blootgelegd en opgenomen in de omringende overschildering.122
| 314 |
| Noten | |
| 120. | J. Schuurmans, Rapport van het onderzoek naar saus-, schilder- en pleisterlagen in de eerste travee van het zuidertransept en de Antoniuskapel, 5 juli 1977, in de Bouwloodsen. |
| 121. | Zie noot 106: in dezelfde brief die daar bedoeld wordt. |
| 122. | Rapport over de gewelfschilderingen van de Antoniuskapel door J. Schuurmans, Januari 1979, in de Bouwloodsen. |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 313-314
Paul le Blanc, Kerk in kleur (2002) 93-94
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 313-314